weblog - Van zolderkamer naar vliering
Geplaatst op Het Genootschap Nederlandse componisten viert honderdjarig bestaan - Door Thea Derks, muziekpublicist
Amsterdam, 26-8-2011 – Het Grachtenfestival was nog niet voorbij, of in Zutphen barstte alweer het tweejaarlijkse Cellofestival los en vanavond begint in Utrecht het Festival Oude Muziek. Aansluitend presenteert het Internationale Gaudeamusfestival voor het eerst in deze stad zijn competitie voor componisten onder de dertig. Al deze evenementen kampen met geldgebrek en het is de vraag of zij de subsidiebijl van Zijlstra zullen overleven. Dat het bij diens bezuinigingen wel degelijk om rancune gaat, blijkt uit het feit dat het Festival Oude Muziek liefst vijftig procent aan eigen inkomsten genereert – een verbluffend staaltje cultureel ondernemerschap.
Konden componisten vanaf de middeleeuwen tot pakweg de achttiende eeuw op een vanzelfsprekende ondersteuning rekenen door kerk of vorstenhuis, daarna moesten zij op de markt gaan leuren met hun composities. Copyright bestond niet en wie al het geluk had een compositie te verkopen, kon fluiten naar overige inkomsten uit zijn werk. Zo ontstond het geromantiseerde beeld van de eenzame kunstenaar, ploeterend op zijn zolderkamer aan veel later ontdekte meesterwerken. Ondertussen moest hij met eenvoudige arbeid een schamel bestaan op zien te bouwen, fortuinlijke uitzonderingen daargelaten.
In de loop van de negentiende eeuw keerden kunstenaars en componisten zich tegen dit al te onvriendelijke lot. In ons land ontpopte Jan van Gilse (1881-1944) zich als een succesvol pleitbezorger van de belangen van de componist. In 1911 stond hij aan de basis van het Genootschap Nederlandse Componisten (Geneco), dat zich inmiddels een eeuw toelegt op het verbeteren van de arbeidsvoorwaarden van vaderlandse toondichters m/v. Een eerste succes beleefde de club in 1913, met de oprichting van het Bureau voor Muziekauteursrecht (BUMA). Voortaan ontvingen componisten een vergoeding voor elke uitvoering van een stuk.
Dit bracht echter niet voldoende geld in het laatje, daarom riep men begin jaren dertig de Stichting Nederlandse Muziekbelangen in het leven, waaruit in 1947 uitgeverij Donemus voortkwam. Deze legde zich toe op het publiceren en promoten van Nederlandse noten. Pijnpunt bleef de honorering. Componisten konden hiervoor aankloppen bij provincies, gemeentes en uiteenlopende fondsen, maar de aldus verkregen toelage stond zelden in verhouding tot de verrichte arbeid. Vanaf begin jaren zestig pleitte het Geneco voor een professioneel subsidiestelsel, dat op basis van kwaliteitscriteria realistische vergoedingen zou verstrekken. In 1982 was het Fonds voor de Scheppende Toonkunst een feit.
Voortaan konden componisten zich geheel aan hun werk wijden, in een comfortabele doorzonwoning in binnen- of buitenland. Weliswaar ontstond gemor over vermeend nepotisme, omdat de beschikbare gelden werden verdeeld door vakbroeders, maar grosso modo functioneerde het systeem goed tot op de dag van vandaag. Vandaar dat het Geneco op zaterdag 3 september zijn 100-jarig bestaan viert met een concert in aanwezigheid van de Koningin, in het Concertgebouw in Amsterdam. Het Nederlands Philharmonisch Orkest speelt vier Nederlandse werken, keurig verdeeld over twee dames (Mayke Nas en Henriëtte Bosmans) en twee heren (Jan van Gilse en Lex van Delden). Tot het zover is, kan men een electro-akoestische luisterroute volgen op vier locaties waar het Geneco gehuisvest was/is.
Jammer toch dat componisten binnenkort alweer die vliering wacht….
-
-
-