Weblog: Subsidiecircus
Geplaatst op Zin en onzin van de peer review - door Thea Derks, muziekpublicistAmsterdam, 5-11-2009 – Nadat de rechter Theu Boermans in het gelijk had gesteld in zijn zaak tegen het Fonds Podiumkunsten+, tuimelen onze kamerleden weer over elkaar om op hoge toon te eisen dat elke schijn van belangenverstrengeling bij subsidieregelingen wordt vermeden. Boermans’ gerenommeerde Theatercompagnie werd uit het vierjarige honoreringsstelsel gekieperd door een commissie waarvan een lid ook zelf subsidie had aangevraagd. Het verweer dat deze persoon tijdens ‘zijn’ beoordeling op de gang had gestaan, klinkt weinig overtuigend. Het is immers lastig iemand met wie je tijdens vele vergaderingen talloze miljoenen verdeeld hebt, zelf met lege handen naar huis te sturen.
Om toekomstige belangenverstrengeling te vermijden diende Groen Links een motie in, waarbij Mariko Peters voorstelde in dergelijke commissies ook ‘geïnteresseerde leken of amateurs met een verfrissende blik’ te laten plaatsnemen. Als voorbeeld noemde zij presentator Paul Witteman. Nu heb ik toch al geen hoge pet op van onze volksvertegenwoordigers – er hoeft maar een kinderlokker te ontsnappen of er volgt weer een spoeddebat – maar dit getuigt toch wel van een ontstellende geestelijke armoede. Hoe zou de alom aanwezige Witteman nog maar iets met een frisse blik kunnen bekijken?
Belangrijker is de vraag hoe een toekenning of afwijzing inhoudelijk wordt onderbouwd. Minister Plasterk pleit voor het handhaven van het huidige systeem, waarin vakgenoten elkaar al dan niet geld toekennen voor de ingediende plannen. - Alleen zij beheersen de thematiek goed genoeg om een afgewogen oordeel te vellen. Deze idee van de peer review klinkt plausibel, maar leidt in de praktijk onvermijdelijk tot strubbelingen. Over kwaliteit valt beslist te twisten en wanneer componist/filmer/theatermaker A oordeelt dat componist/filmer/theatermaker B niet goed genoeg is om gehonoreerd te worden, is het lastig aan te tonen dat dit gespeend is van ieder eigenbelang.
Toch is het ook geen goed idee leken te laten oordelen over zoiets kwetsbaars en ongrijpbaars als ‘goede’ kunst. Veel zinvoller lijkt het mij andere experts uit het veld in te schakelen. Schouwburgdirecteuren, programmeurs, concertorganisatoren, critici en vakdocenten zijn vanuit hun achtergrond op de hoogte van de ontwikkelingen, hebben vaak jarenlang ervaring en kunnen gezaghebbend het kaf van het koren scheiden. Ook zij hebben uiteraard hun voor- en afkeuren, maar het gevaar van belangenverstrengeling ligt veel minder op de loer.
Zelf zat ik als muziekpublicist in verschillende muziekcommissies. Helaas heb ik daarin ervaren dat direct betrokkenen hun vakgenoten zelden objectief beoordelen. Ik kon op mijn klompen aanvoelen dat musicus X componist Y zou afwijzen, maar musicus Z met lof zou overladen. Dat leverde pijnlijke situaties op en oeverloze discussies, die achterwege bleven in commissies waarin de peer review ontbrak.
Ik pleit dus vóór commissies van kenners en tégen commissies van vakgenoten.
-
-
-