Een zelf bedachte double bill in NPS Opera Live.
Eerst zenden we ‘Osud’ uit, vanaf ongeveer 19:30. U hoort een opname van de VARA, gemaakt van een uitvoering die plaatsvond op 7 oktober 2000 in het Concertgebouw in Amsterdam. Dit was een productie van de ‘Matinee op de vrije zaterdag’.
Om ongeveer 21:10 zenden we ‘Uit een dodenhuis’ uit. U hoort een opname van de Metropolitan Opera in New York, gemaakt op 2 december 2009.
Presentator is Lex Bohlmeijer, en te gast zal zijn: Theo van den Boogaard, directeur van Alferink Artists Management in Amsterdam
Componist: Leoš Janáček
Librettist: Fedora Bartosova en Leoš Janáček, in een bewerking van Václav Nosek
Živný, componist, David Rendall, tenor
Míla Válková, Gwynne Geyer, sopraan
Míla’s moeder, Ida Kirilová, mezzosopraan
Dr. Suda / Hrázda, Alasdair Elliott, tenor
Lhotský, kunstschilder, Nanco de Vries, bas-bariton
Konečný / Verva, leerling, Ivan Kusnjer, bariton
Juffrouw Stuhlá, lerares, Bernadette Bouthoorn, sopraan
Vrouw van de burgemeester /
3e Lerares, Elma van den Dool, sopraan
Juffrouw Fanca Pacovská /
Součková, leerlinge, Franciska Dukel, sopraan
Student, Boguslaw Fiksinski, tenor
Oude Solwaakse vrouw /
4e lerares, Marjan van Eldik, alt
Vrouw van het raadslid /
Kosinská, leerlinge, Klara Uleman, mezzosopraan
Jong meisje / 1e lerares, Charlotte Zeiher, sopraan
Doubek, vier jaar /
3e schoolmeisje, Margo van Laack, sopraan
Doubek, vijftien jaar /
Ober, Adrian Folea, tenor
2e Lerares, Ans van Dam, alt
5e Lerares, Marjolein Koetsier, sopraan
1e Schoolmeisje, Marga Melerna, alt
2e Schoolmeisje, Deanna Lang, sopraan
1e Gast, Jasper Schweppe, tenor
2e Gast, Mario Veldpape, bas
1e Jongeman, Henk van Heynsbergen, bas
2e Jongeman, Gert-Jan Alders, bas
Groot Omroepkoor & het Radio Filharmonisch Orkest olv. Edo de Waart
Opname van de VARA, gemaakt op 7 oktober 2000 in de Grote Zaal van het Concertgebouw in Amsterdam, tijdens een Matinee op de vrije zaterdag.
Synopsis
Eerste akte
In een kuuroord – ergens rond het jaar 1890 – geniet een bont gezelschap van een stralende zomerse dag. Op de achtergrond klinkt een promenadeconcert. Eén van de gasten in het kuuroord is de beeldschone Míla, een lid van de Praagse high society. Ze staat in het middelpunt van de belangstelling bij de aanwezige mannen. Ook bij de kunstschilder Lhotský, die haar een boeket rozen aanbiedt. Míla zegt dat de bloemen vooral bittere herinneringen bij haar oproepen. Dokter Suda, die de toenadering van Lhotský gade slaat, vermoed dat Míla aan een ongelukkige liefde denkt.
Tot haar schrik ontdekt Míla dan dat haar voormalige vriend, de componist Živný, onder de gasten is. Živný is de vader van haar kind, zonder dat hij dat zelf weet – Míla beëindigde hun relatie namelijk ver voor de geboorte. Živný heeft zich daarna op het schrijven van een opera gestort, die hij ‘Een necrologie van jonge liefde’ noemt.
Na een voorzichtige toenadering, maken Míla en Živný een wandeling. Tot vermaak van dokter Suda, die ondertussen wel weet hoe de vork in de steel steekt. Tijdens de dagelijkse koorrepetitie onder leiding van lerares Stuhlá zingt Suda over de zon die alles ziet…
Míla vertelt ondertussen aan Živný dat haar moeder – die ook in het kuuroord aanwezig is – niet wilde dat ze nog langer met elkaar zouden omgaan. Ze zou met een rijke man moeten trouwen. Iets wat uiteindelijk niet gebeurde. Wel werd hun zoontje, Doubek, geboren. Tot ergernis van de moeder besluiten Míla en Živný aan het einde van de eerste akte om het verdrietige verleden te vergeten. Ze willen een nieuw leven beginnen, samen met hun kind.
Tweede akte
Vier jaar later. Míla en Živný zijn getrouwd.
Mila’s moeder is krankzinnig geworden en woont bij ze in. In de studeerkamer laat Živný een deel van zijn opera horen aan Míla. Hij legt de nadruk op de akte waarin hij haar vermeende ontrouw heeft verwerkt. Míla vraagt hem of hij niet kan ophouden met het steeds weer herhalen van de herinneringen aan hun ongelukkige verleden. Maar Živný gaat door en begint een liefdesbrief te citeren die Míla jaren terug aan hem schreef: ‘Mijn hart is altijd angstig, jouw hart roept het mijne. Kom, o kom, Noodlot!’ Míla smeekt hem te stoppen en begint te huilen. Vanuit een andere kamer horen ze Míla’s moeder de woorden van Živný herhalen.
Živný ziet in dat hij te ver is gegaan en begint het gedeelte waarin hij Míla van ontrouw beschuldigd uit de partituur te scheuren. Hun zoontje Doubek vraagt: ,,Mama, weet jij wat liefde is?” Het jongetje gelooft van niet, want hij ziet zijn moeder nooit doen wat de twee bedienden in huis doen…
Míla geeft toe dat ze Živný verkeerd behandelt heeft in het verleden. Maar veel tijd om het goed te maken krijgen de twee niet. Míla’s moeder rent de trap op, naar het balkon. Míla gaat haar achterna en in de worsteling die op het balkon ontstaat, vallen beide vrouwen naar beneden. Živný en zijn zoontje blijven verslagen bij de twee dode lichamen achter.
Derde akte
Elf jaar na de dood van Míla.
In de aula van het conservatorium repeteren studenten de opera van Živný. Ze verbazen zich over het vreemde, open einde. De laatste woorden van de opera zijn: ,,Bij ieder onweer zie ik jou, mijn bleke bloem. Nog zwaarder blauwe bliksemschichten…” Buiten storm het ook werkelijk.
Doubek, de zoon van Živný, is zelf een van de studenten. Iedereen heeft door dat zijn vader de hoofdpersoon van de opera is, en dat Doubek zelf het jongetje was dat aan zijn moeder vroeg of ze wist wat liefde is. Deze scène heeft Živný in de tussentijd nog aan de opera heeft toegevoegd.
Živný komt langs om de studenten uitleg te geven over zijn opera. Hij gaat zo op in zijn verhaal, dat de studenten er bang van worden. Živný legt uit dat de eenzame componist in de opera in de bliksemflitsen een poort naar de eeuwigheid ziet. Doubek, bekijkt door het raam het daadwerkelijke onweer en verstijfd. ,,Mijn moeder!” roept hij. Živný valt flauw. Als hij weer bijkomt hoort hij het klagen van Míla. Dokter Suda is inmiddels ter plaatse om hulp te bieden. “Wat is er aan de hand?” is zijn vraag, waarmee Osud eindigt…
Componist: Leoš Janáček
Librettist: Leoš Janáček, naar de roman ‘Aantekeningen uit het dodenhuis’ van Fjodor Dostojevski
Alexander Petrovitsj Gorjantsjikov, Willard White, bariton
Skuratov, Kurt Streit, tenor
Sjisjkov, Peter Mattei, bariton
Filka Morozov (Loeka Koesmitsj), Stefan Margita, tenor
De garnizoenscommandant, Vladimir Ognovenko, bas
Aljeja, een jonge Tataar, Eric Stoklossa, tenor
Nikita, de grote gevangene, Peter Straka, tenor
De kleine gevangene, Vladimir Chmelo, bariton
Antonitsj, de oude gevangene, Heinz Zednik, tenor
Tsjerevin, Andreas Conrad, tenor
Sjapkin, Peter Hoare, tenor
Kedril, Marian Pavlovic, tenor
Tsjekunov, Jeffrey Wells, bas-bariton
Een gevangene in de rol van
Don Juan en Brahmine, Ales Jenis, bariton
De kok / de smid, Richard Bernstein, bas-bariton
De dronken gevangene, Adam Klein, tenor
De priester, John Cheek, bas
De prostituee, Kelly Cae Hogan, sopraan
De jonge gevangene, Scott Scully, tenor
Stem achter de scène, Scott Scully, tenor
Metropolitan Opera Chorus & Orchestra olv. Esa-Pekka Salonen
Synopsis
Eerste akte
Het verhaal speelt zich af in een strafkamp in Siberië, halverwege de negentiende eeuw. Het leven van de gevangenen bestaat uit het verrichten van dwangarbeid (het demonteren van scheepswrakken) en zo nu en dan vertelt één van hen over zijn leven.
Op een ochtend wordt de politiek gevangene Alexander Petrovitsj Gorjantsjikov het kamp binnengebracht. De commandant neemt hem meteen apart, ondervraagt hem en laat hem zonder enige reden geselen.
De overige gevangenen kijken niet op of om. Zij plagen een adelaar met een gebroken vleugel, en bewonderen zijn verzet in gevangenschap – symbool voor de vrijheid die ze nooit zullen kennen. Ze besluiten het trotse dier te verzorgen.
De gevangenen moeten aan het werk, maar enkelen blijven achter. Loeka vertelt over zijn eerste gevangenschap, voor landloperij. In de gevangenis was hij de inspirator van een opstand, waarvoor hij ruw werd gestraft. Dan wordt Gorjantsjikov teruggebracht, half dood.
Tweede akte
Een jaar later, in de zomer. Gorjantsjikov is bevriend geraakt met de jonge Tartaar Aljeja. Hij biedt de jongen aan, hem lezen en schrijven te leren.
Het is een feestdag. Er zijn gasten en er zullen twee toneelstukken worden opgevoerd: ‘Kedril en Don Juan’ en De mooie molenaarsvrouw’. Er is zelfs een prostituee binnengebracht. Na het feest drinken Gorjantsjikov en Aljeja thee. Een jaloerse gevangene valt Aljeja aan, en steekt hem neer.
Derde akte
Eerste scène
In het hospitaal. Aljeja schreeuwt het uit van pijn, in zijn ijlende koorts.
Gorjantsjikov en Tsjekunov blijven bij hem. De stervende Loeka Koesmitsj kan het gekerm niet verdragen.
’s Avonds laat is het stil, alleen de oude gevangen verbreekt zo nu en dan de stilte met zijn gekreun. Gevangene Sjisjkov vertelt over zijn vrouw: Akoelka. Sjisjkov liet haar vermoorden toen hij merkte dat ze hem bedroog met een vroegere liefde: Filka Morosov. (En die Filka Morosov bevindt zich onder een ander naam in het strafkamp. Hij is de op sterven liggende Loeka.)
Terwijl Sjisjkov het verhaal over de moord op zijn echtgenote afrondt, bezwijkt Loeka. Hij sterft, door totale uitputting. Sjisjkov kijkt eens goed naar de overleden Loeka en herkent nu pas de door hem gehate Filka Morosov.
Tweede scène
Weken later krijgt Gorjantsjikov van de stomdronken commandant te horen dat hij wordt vrijgelaten. Een vergissing. Hij had nooit veroordeeld mogen worden.
Aljeja is opgeknapt en neemt afscheid van zijn vriend en terwijl Gorjantsjikov het kamp uitloopt laten de gevangenen de adelaar vrij. Even is er een moment van hoop bij iedereen, maar dan begint voor de achterblijvers de dwangarbeid weer. Het ellendige kampleven gaat onveranderd verder.